Nieuws

Proefbedrijf De Marke al jaren voorloper met BES-pilot

Gepubliceerd op
8 mei 2017

In de BES-pilot binnen Koeien & Kansen hebben veehouders de ruimte binnen bepaalde milieurandvoorwaarden voor stikstof en fosfaat mestoptimaal op hun bedrijf te verdelen. De deelnemers aan deze BES (BedrijfsEigen Stikstofbemesting met dierlijke mest) pilot mogen hun dierlijke mestgift met fosfaat aanvullen, ook als dat betekent dat de mestgift met stikstof dan boven de gebruiksnorm komt. Als tegenprestatie moeten ze wel inleveren op kunstmest en moeten zij er voor zorgen dat ammoniakemissie niet stijgt. De Marke hanteert deze werkwijze ook al jaren met succes.

BES bedrijven hebben minder ruimte voor kunstmest en ervaren daardoor hoe belangrijk het is om de meststoffen uit dierlijke mest zo goed mogelijk te benutten. Proefbedrijf voor duurzame melkveehouderij De Marke in Hengelo (Gld.) is al jaren niet meer afhankelijk van kunstmest. De Marke heeft van 2004 tot 2012 helemaal geen kunstmest gebruikt en nu blijft het gebruik beperkt tot ongeveer 50 kilogram stikstof uit kunstmest per hectare. Om kunstmest te besparen en te vervangen door dierlijke mest is het belangrijk om de beschikbare dierlijke mest nog zo goed mogelijk te benutten. Hieronder is een overzicht te vinden van de verschillende werkwijzen en strategieën om dit in praktijk te realiseren.

Fosfaat in balans

Mest gebruiken binnen duurzaamheidsrandvoorwaarden betekent evenwichtsbemesting van fosfaat toepassen. Met andere woorden je brengt evenveel fosfaat naar het land als je ervan afhaalt met de oogst. Veel bedrijven met een hoge gewasopbrengst kunnen door de vaste gebruiksnormen niet voldoende fosfaat naar het land brengen om de onttrekking te compenseren. Ze mijnen de bodem uit wat betreft fosfaat. Dit komt doordat de gebruiksnorm voor fosfaat uitgaat van gemiddelden voor fosfaatonttrekking door het gewas. Bij een hoge fosfaatonttrekking schiet de gebruiksnorm dus tekort. Dit lost de BEP-pilot op door de fosfaatgebruiksnorm flexibel te maken en af te stemmen op de onttrekking op het bedrijf. Maar fosfaatkunstmest is op derogatiebedrijven niet meer toegestaan. De fosfaatbemesting moet dus volledig uit dierlijke mest komen. En op veel bedrijven is de mestplaatsing beperkt door de gebruiksnorm voor stikstof, namelijk 230 of 250 kilogram per hectare. In de BES-pilot wordt dit opgelost door ruimte te geven voor invullen van fosfaatevenwicht met dierlijke mest, zonder in het rood te schieten als de stikstof uit drijfmest boven de gebruiksnorm uitkomt.

Meer stikstof dierlijk, minder kunstmest

Ruimte voor meer fosfaatplaatsing met dierlijke mest betekent op veel bedrijven dat de aanwending van stikstof uit dierlijke mest hoger uitvalt dan de hiervoor genoemde gebruiksnorm voor dierlijke stikstof. De Marke is geen derogatiebedrijf en de gebruiksnorm voor dierlijke mest N is dan ook 170 kilogram N per hectare. De inzet van mest N bedraagt echter wel 224 kg N per hectare. Dit is de hoeveelheid waarbij er een fosfaatevenwicht is. De bemesting moet echter wel passen binnen de randvoorwaarden van nitraatuitspoeling. Dat betekent dat er niet meer dan 50 milligram nitraat per liter in grondwater gemeten mag worden en een bodem N overschot van maximaal 100 kg N per hectare gerealiseerd wordt. Daarom gebruikt De Marke maar 50 kilogram stikstof uit kunstmest per hectare. Aan beide voorwaarden voldoet De Marke. Om de gewasteelt in stand te houden met zo weinig kunstmest, doen ze er op De Marke alles aan om de dierlijke mest optimaal te benutten.

Strategieën

Welke maatregelen in de bedrijfsvoering zijn belangrijk bij het zoveel mogelijk benutten van eigen mest?

  1. Een hoge fosfaatonttrekking in het gewas: Een hoge fosfaatonttrekking biedt meer ruimte voor plaatsing van mest P. Dat betekent ook meer ruimte voor organische stof met mest en meer mest N.
  2. Scherp op fosfaat in voer: Scherp voeren resulteert in een laag fosfaatgehalte in mest. Dat betekent dat per kg plaatsbare fosfaat meer organische stof uit mest en N uit mest geplaatst kan worden. Natuurlijk kan overtollige mest afgevoerd worden. Maar die weg staat maatschappelijk onder druk, is duur en wentelt problemen af.
  3. Weinig verliezen, hoge werking. Wat we van de beschikbare meststoffen kwijtraken, drukt direct op de gewasopbrengst. Houdt het vast en laat het tot werking komen, is dus het motto. Om mest goed te laten werken zijn diverse maatregelen van belang. Niet te vroeg geven (voorjaarsuitspoeling), niet na juli bemesten (najaarsuitspoeling), bemest geen maïs op gescheurd grasland  (verspilling), verdeel de mest goed over percelen (bemesten naar opbrengst voor een betere benutting) en mestbewerking (vergisting voor snellere werking of mestscheiding voor maatwerk in de verdeling over percelen).
  4. Lekken dichtmaken: voorkom verliezen uit de stal, in de weide en zelfs in de kuil. Daardoor wordt de kringloop zoveel mogelijk gesloten.
  5. Houdt de doorstroom in de kringloop goed door maïs in vruchtwisseling te telen. Vruchtwisseling heeft vele kanten. Eén ervan is dat de bodem in beweging blijft waardoor mineralen goed beschikbaar blijven. Vakkundig uitgevoerde vruchtwisseling houdt de deksel van het voorraadvat bodem, van het slot.

Effecten

  1. Het effect van deze aanpak is dat meer dierlijke mest gebruikt kan worden, zonder milieunormen te overschrijden. Het uitmijnen van fosfaat wordt voorkomen er komt hierdoor meer organische stof uit mest naar het land. De juiste hoeveelheid dierlijke mest draagt dan ook bij aan de bodemvruchtbaarheid op lange termijn. Daarom zijn de genoemde strategieën ook in de toekomst prima toe te passen.
  2. Een hoge plaatsingsruimte van dierlijke mest beperkt afzetkosten. Daarmee zijn de strategieën in de BES-pilot duidelijk kosteneffectie.

Elk bedrijf zijn eigen logica

De bedrijfsvoering binnen de BES-pilot is op elk bedrijf weer anders. De Marke heeft veel maïs vanwege beperkte beschikbaarheid aan bodemvocht, terwijl een ander bedrijf in de BES-pilot juist het volledige areaal in gras heeft gelegd. Sommige bedrijven in de BES–pilot passen beweiding toe, terwijl ander juist minder of geen beweiding toepassen. Sommigen zetten zwaar in op klaver ter ondersteuning van N voorziening, anderen doen dat niet. Kortom: de aanpak is niet kopieerbaar, maar de benadering is steeds om de beschikbare meststoffen zo goed mogelijk te benutten en dus kosten te besparen.