Het effect van extra kunstmest N bepaald in BEN-pilot

Nieuws

Het effect van extra kunstmest N bepaald in BEN-pilot

Gepubliceerd op
16 februari 2017

Binnen het project Koeien & Kansen is in de BEN-pilot onderzoek gedaan naar de effecten van flexibele, bedrijfsspecifieke bemesting. Zes melkveebedrijven hebben in 2014 en 2015 de ruimte gekregen om meer kunstmest N te gebruiken dan de generieke norm. Ze mochten een van tevoren bepaalde hoeveelheid extra kunstmest N naar eigen inzicht verdelen over de gewassen. Hierdoor steeg de stikstofonttrekking door de gewassen op bedrijfsniveau met 23 kilogram per hectare. Het stikstofoverschot op de bodembalans nam toe met 25 kilogram per hectare. Er waren geen duidelijke effecten op uitspoeling van nitraat naar grond- en oppervlaktewater.

In de Nederlandse melkveehouderij is de hoeveelheid stikstof en fosfaat die als meststof inzet mag worden, begrensd door gebruiksnormen voor dierlijke mest en kunstmest N. Melkveebedrijven die duidelijk bovengemiddeld stikstof onttrekken met gewassen kunnen geconfronteerd worden met een relatief stikstofgebrek, vooral in gras. Dit, terwijl de bodemoverschotten zo laag zijn, dat een hogere bemesting verantwoord kan zijn.

De BEN-pilot

In de BEN-pilot krijgen melkveebedrijven de ruimte om meer kunstmest N te gebruiken dan wat is toegestaan volgens de generieke gebruiksnormen in de Meststoffenwet. De deelnemende bedrijven zijn de Koeien & Kansen deelnemers, Baltus (Middenmeer), Pijnenborg-Van Kempen (IJsselsteyn, Limburg) en Buijs (Etten-Leur) en de deelnemers van Praktijknetwerk Duurzame Voerproductie, Levers (Lelystad),  Schouten en Zijderveld (Zeewolde). Voor elk bedrijf is bepaald hoeveel extra kunstmest N gebruikt mocht worden. Deze ruimte is door de deelnemers naar eigen inzicht ingezet op hun bedrijf. In de pilot zijn de effecten op nutriëntenstromen op het bedrijf. Er is gekeken naar de gevolgen voor de aanvoer van stikstof en fosfaat naar de afzonderlijke gewassen op het bedrijf, de onttrekking met de gewasoogst, de overschotten en de verliezen door uitspoeling van nitraat naar grond- en oppervlaktewater. De resultaten hiervan zijn bepaald door monitoring, perceelsregistratie en de inzet van de KringloopWijzer. De KringloopWijzer is een belangrijk onderdeel van de monitoring omdat eventuele differentiatie in regelgeving ook gebaseerd zal zijn op de KringloopWijzer.

De toepassing van extra kunstmest N

De vergunde extra kunstmest N is door alle deelnemers ingezet in gras. Keuzes over verdeling over percelen zijn afhankelijk van landgebruik, zoals maaien, weiden of gewasrotatie. De verdeling over snedes verschilt per bedrijf evenals de keuze van het soort kunstmest. De deelnemers besteden niet alleen aandacht aan de extra kunstmest N, maar  hebben een bredere focus, te weten: het optimaal gebruik van dierlijke mest door goede timing, aanwendingstechniek en verdeling van mest. Ze kijken daarbij ook naar bodembewerking en teelttechniek in bouwland en graslandbeheer. Deze facetten worden intensief geëvalueerd.

Landbouwkundige en milieukundige effecten

In de jaren met BEN-bemesting (2014 en 2015) is de opbrengst van stikstof in gras toegenomen met 4% ten opzichte van de referentiejaren (2011-2013) zonder gebruik van extra kunstmest N. Ook de fosfaatopbrengst vertoont een toename. De droge stofopbrengst is min of meer gelijk gebleven. In de jaren met BEN-bemesting is de opbrengst van stikstof, fosfaat en droge stof in maïs – daar is geen extra kunstmest stikstof geplaatst – afgenomen met respectievelijk 5, 6 en 8% ten opzichte van de referentiejaren. Op bedrijfsniveau nam de stikstofonttrekking toe met 23 kilogram per hectare. Het stikstofoverschot op de bodembalans nam toe met 25 kilogram per hectare.
Er zijn geen aanwijzingen voor toename van de nitraatconcentratie in grondwater en drainwater in de periode met BEN-bemesting. Het ruw eiwit- en VEM-gehalte in graskuilen zijn in de onderzoekjaren iets hoger dan in de referentiejaren. Dit kan echter niet met zekerheid toegeschreven worden aan de extra gebruikte kunstmest N omdat deze tendens zich algemeen voordeed in de melkveehouderij.

Beoordelen van de bedrijfsprestatie

Het protocol voor het bepalen van de gegunde extra kunstmest N (extra kunstmestruimte) is onderdeel van het onderzoek. De extra kunstmestruimte werd berekend als het verschil tussen de bedrijfsspecifieke N opbrengst en de forfaits voor gras en maïs. De ruimte werd bepaald naar bedrijfsniveau door weging van de oppervlaktes gras en maïs. De verwachting was dat het acceptabel N-overschot niet zou worden overschreden na gebruik van de extra kunstmest N. Het stikstofoverschot was echter hoger dan de acceptabele niveaus. Dit maakt duidelijk dat de bepaling van de extra kunstmestruimte op basis van alleen opbrengstforfaits voor gras en maïs onvoldoende garanties biedt op het voldoen aan de normen voor het maximaal acceptabel overschot. Daarom is het beter om gunning ook te baseren op een bewezen onderschrijding van het N overschot op de bodembalans die het gehele bedrijfsareaal omvat inclusief alle gewassen.