Foto: Harry Massop

Nieuws

Afspoeling in de BedrijfsWaterWijzer

Gepubliceerd op
31 juli 2017

Afspoeling van landbouwpercelen is een chaotisch proces dat nauwelijks is te meten. Toch wordt het algemeen gezien als een belangrijke emissiebron naar het oppervlaktewater, waar we niet omheen kunnen. Niet voor niks meten waterschappen na half februari stelselmatig hogere gehalten aan stikstof en fosfaat. De noodzakelijke maatregelen voor de korte termijn klinken heel vervelend, maar op de langere termijn zouden de belangen van landbouw en waterkwaliteit wel eens veel beter kunnen samenvallen. Een snelle start is aan te raden, want anders is er voor de einddatum van de KRW doelen (2027) weinig lange termijn meer over!

In de BedrijfsWaterWijzer bestaat de module 5 Afspoeling uit drie onderdelen: a) oppervlakkige afspoeling, b) stikstofuitspoeling: stikstoftransport door de bodem naar de sloot en c) fosfaatuitspoeling: fosfaattransport door de bodem naar de sloot. Dit nieuwsbericht gaat specifiek over punt 5a; oppervlakkige afspoeling.

oppervlakkigeafspoeling.png

Oppervlakkige afspoeling


Aan het eind van de winter staat het grondwater hoog en is er weinig ruimte meer over voor waterberging. Het emmertje loopt al snel over en het water vindt in een periode met veel neerslag via de laagste delen van het maaiveld zijn weg naar de sloot.

In de zomer is er meestal genoeg ruimte voor waterberging, maar het kan soms zo heftig regenen dat de bovengrond het niet snel genoeg kan opnemen (infiltratie). Het water stagneert aan maaiveld en vindt opnieuw via de laagste delen van het maaiveld zijn weg naar de sloot.

Een groot deel van de Nederlandse bodem is als gevolg van mechanisatie verdicht. Hierdoor ontstaat een schijngrondwaterspiegel. Bij verdichte bodem is dan weinig ruimte meer voor waterberging en ontstaat er snel afspoeling

Oppervlakkige afspoeling <<klik op het plaatje voor vergroting>>
Oppervlakkige afspoeling <<klik op het plaatje voor vergroting>>

Afspoeling Meten


In de afgelopen jaren zijn pogingen ondernomen om afspoeling te meten door een goot in te graven net voor de insteek van de sloot. De goot werd vervolgens aangesloten op een debietmeter en een monsternameapparaat. Echter, als op één plaats wordt gemeten, wat zegt dit dan over de rest van het perceel (zie onderstaand kader).

Het effect van maaiveldreliëf op oppervlakkige afspoeling

Afstromingspatroon
Afstromingspatroon

Het afstromingspatroon hiernaast illustreert dat de hoeveelheid afstroming verschilt afhankelijk van de plek waar je het meet. Het risico op afspoeling wordt groter van blauw via groen en geel naar bruin. De lichtblauwe vlekken geven de laagste delen van een perceel aan. Of er daadwerkelijk afspoeling plaats vindt hangt naast het maaiveldreliëf af van de infiltratiecapaciteit en de neerslagintensiteit. Daarvoor is het nodig om het veld in te gaan als het echt hard regent. Na de bui is afspoeling vaak goed te herkennen aan kleine puinwaaiers op de slootbodem ter plaatse van de afspoeling.

In Midden Limburg zijn er concentraties aangetroffen tot 10 mg/L P en 25 mg/L N in het afgespoelde water. Dat is voor N ongeveer een factor 10 x de norm, en voor P minstens 50 x de norm voor oppervlaktewater. Oriënterende metingen in plassen op het land tonen aan dat contact met de vruchtbare bovengrond al genoeg is voor hoge concentraties N en P. We kunnen deze verliezen dus beter maar voorkomen. Water dat infiltreert kan nog door de bodem gezuiverd worden, voordat het de sloot bereikt.

Wat is eraan te doen?


Sleufjes
Als er iets is, waar een boer snel vanaf wil dan is het wel een plas op zijn land. Wie kent niet de sleufjes die worden gegraven van plas naar sloot?

Op de lange termijn is een betere bodemkwaliteit wenselijk om stagnatie aan het maaiveld te voorkomen, maar dat vergt aanpassingen in de vruchtwisseling, grondbewerking en organische stofbeheer. Deze zijn niet van vandaag op morgen gerealiseerd. Meer hierover in een volgend nieuwsbericht.

Mooi egaal

Mooi Egaal
Soms zijn er structurele verbeteringen mogelijk op het perceel, zoals verbeterde drainage en egalisatie, waarmee afspoeling kan worden teruggedrongen

Hotspots

Hotspots
Ook is het mogelijk de hotspots aan te pakken. Hotspots zijn plekken die extra gevoelig zijn voor oppervlakkige afvoer, omdat deze én zwaarder bemest, én zwaarder bereden of betreden worden. Vaak ligt de toegang tot een perceel, waar het vee zich vaak verzamelt en waar meer verkeer van machines is, vlakbij een sloot. Of een kavel pad, waarover het vee op en neer gaat tussen melkstal en wei, ligt net langs een sloot. Hiervoor kunnen vaak praktische oplossingen bedacht worden bijvoorbeeld een kleine barrière of greppel vóór de sloot. Een drinkbak kan verder van de sloot worden verplaatst

Kop- en wendakkers

Kop- en wendakkers

Ook op kop- en wendakkers is er altijd meer verkeer, daardoor is de bodem ter plaatse vaak verdicht en in gespoord. Bovendien ligt de sloot ook vaak net langs de kopakker. Daarom verdienen deze plekken extra aandacht. Geduld is ook hier een schone zaak, onder te natte omstandigheden maak je meer kapot dus niet te vroeg erop.

Maatwerk

Als bovenstaande maatregelen niet mogelijk zijn, is maatwerk nodig om afspoeling te voorkomen. Zo is het lang niet altijd zinvol om een onbemeste bufferstrook aan te leggen langs de hele perceel-slootgrens. Dat bleek al uit het tweede plaatje met de afstroompatronen. Om nuttig oppervlak te besparen is het effectiever om de buffer daar te leggen waar het water langs komt.

Een bezinkplek of bezinkgreppel is een compromis tussen de wens om plassen zo snel mogelijk kwijt te raken en om afvoer naar de sloot te voorkomen. Een boer kan dan met sleufjes zorgen dat de plassen maar op één, of een beperkt aantal bezinkplekken geconcentreerd wordt. Hij accepteert dan dat er op een beperkt oppervlak opbrengstderving optreedt, maar kan a priori kiezen welke (al slechte) plek dat wordt.

Wensen voor de toekomst


In module 5a worden bodemeigenschappen van het perceel gecombineerd met het maaiveldreliëf en de afstand tot de sloot om het risico op afspoeling in te schatten. Daarnaast kijken we naar de P-toestand van de bodem, het N- en P-bodemoverschot en het N- en P-bemestingsniveau uit de Kringloopwijzer om in te schatten hoeveel nutriënten er kunnen meespoelen. We betrekken daarbij ook managementaspecten zoals grondbewerking, bodembedekking, tijdstip en methode van bemesten, en natuurlijk het gewas. Op hellend terrein (>2%) houden we specifiek rekening met erosie. Bij erosie spoelen ook bodemdeeltjes mee af, waardoor de nutriëntenvracht sterk toeneemt.

Module 5 is op dit moment nog niet operationeel. Dat komt omdat hiervoor een GIS (Geografisch informatiesysteem) nodig is. Het is niet praktisch voor een gebruiker om één voor één percelen en sloten, en hun onderlinge grenzen vast te leggen. Daarom is het Koeien en Kansen team nu in overleg met Wageningen Environmental Research en Akkerweb om dit te realiseren. Daar zullen ook andere modules van gaan profiteren, en het is sowieso illustratief om de scores van verschillende onderdelen van de BedrijfsWaterWijzer in bedrijfskaartjes weer te geven (zie kader).

Risico's op de kaart

Voorbeeld afspoelingsrisico
Voorbeeld afspoelingsrisico

Hiernaast een voorbeeldkaartje van het risico op afspoeling op basis van bodemeigenschappen en afstand tot de sloot. Voor de vertaling naar maatregelen zal het nodig zijn om de kaartjes met het afstromingspatroon (figuur 2) te raadplegen. Op termijn willen we ten behoeve van de interpretatie ook de kaarten kunnen laten zien die “onder” de risicokaarten liggen, zodat het beste maatwerkadvies kan worden gegeven. Dit kan een maaiveldhoogtekaart zijn, de eerder genoemde afstroompatronen en de geraadpleegde bodem en Gt kaart.

Voorbeeld afspoelingsrisico
Voorbeeld afspoelingsrisico

Ook voor andere modules geldt dat we risico’s per perceel op kaart willen kunnen laten zien, van rood (slecht), via oranje en geel naar groen (goed). We willen immers weten op welke percelen of voor welke sloten maatregelen het hardste nodig zijn.