Nieuw inzicht over bijvoeding naast weidegras_Amazing Grazing

Nieuws

Nieuw inzicht bijvoeding naast weidegras

Gepubliceerd op
20 juli 2017

Het is belangrijk te beschikken over kennis van de kwaliteit van weidegras, omdat bij weiden met eiwitarme bijvoeding de eiwitvoorziening van melkgevende koeien vaak (te) krap kan zijn. Dit nieuwe inzicht is gebaseerd op resultaten uit 2016 uit het project Amazing Grazing, bouwsteen Bijvoeding, en Feed4Foodure. Of de graskwaliteit in 2017 in de lopende proef ook tot een krappe eiwitvoorziening leidt blijft spannend en zal na het weideseizoen duidelijk zijn.

Het onderzoek is gestart met de hypothese dat de weidegrasopname verhoogd kan worden door eiwitarme bijvoeding. Verwacht werd dat de koe bij beweiding een laag gehalte aan pensafbreekbaar eiwit (OEB) in de bijvoeding zelf compenseert door meer eiwitrijk weidegras op te nemen. De resultaten waren niet in overeenstemming met deze hypothese. Ze lieten vooral een lagere opname van de eiwitarme bijvoeding zien. Daarnaast meten ze ook een lage concentratie ammoniak (NH3) in de pens. Dat kwam overeen een laag melkureumgehalte van gemiddeld 11 mg/dl over het gehele weideseizoen en de meetperioden. De lage NH3-concentratie in de pens en het lage melkureumgehalte kunnen duiden op een lagere eiwitafbraak van weidegras dan wordt gebruikt in het DVE/OEB-systeem. Door een te hoge inschatting van de DVE- en OEB-waarde van het weidegras kunnen de koeien de stikstofvoorziening in de pens onvoldoende optimaliseren via een hogere DVE/OEB-opname uit weidegras. Om toch de balans te herstellen nemen de koeien minder bijvoeding op. In dat geval is het beter om het eiwitaanbod via de bijvoeding (tijdelijk) aan te passen om productieverlies te voorkomen. Dit levert een nieuwe vraag op: Is het economisch gezien welk interessant om de eiwit bijvoeding aan te passen?

Het is essentieel om te onderzoeken wat het effect is van het afstemmen van de eiwitwaarde van de bijvoeding op de variatie in de eiwitwaarde van het weidegras. Dit kan mogelijk leiden tot een optimale rantsoenformulering en eiwitvoorziening. Daarom wordt in 2017 de proef herhaald met een extra behandeling (hoog OEB/hoog DVE) en zijn de behandelingen 1 en 2 gelijk aan 2016:

  1. Laag OEB: -500 OEB uit bijvoeding (snijmais en krachtvoer)
  2. Hoog OEB: +100 OEB uit bijvoeding (snijmais en krachtvoer)
  3. Hoog OEB/hoog DVE: +100 OEB uit bijvoeding (snijmais en krachtvoer) aangevuld met +250 g DVE/dag extra ten opzichte van de behandelingen Laag OEB en Hoog OEB. 

Indien de eiwitvoeding limiterend is dan vermindert bij behandeling 1 en 2 de melk(eiwit)productie en/of de opname van de eiwitarme bijvoeding. Maar voor behandeling 3 zal in dat geval het extra eiwit (DVE) de melk(eiwit)productie en/of de opname van de bijvoeding op peil houden. Mocht de proef in 2017 inderdaad dit resultaat geven dan wordt daarmee aangetoond dat wanneer bij beweiding via een eiwitarme bijvoeding op of net boven de DVE- en OEB-norm wordt gevoerd, de eiwitvoorziening uit weidegras limiterend kan worden met als onderliggende reden dat de DVE- en OEB-waarde van weidegras wordt onderschat.